WEDEROPSTANDING
Maar de mens wenst in 't vervolg slecht te handelen. Hij vraagt: "Wanneer is de Dag der Opstanding?" Maar als het oog verblind wordt, en de maan verduisterd zal zijn, en de zon en de maan zullen samen gebracht worden, Op die Dag zal de mens zeggen: "Waarheen te vluchten?" Neen! Geen schuilplaats! Slechts bij uw Heer zal dan uw toevlucht zijn. (Surah al-Qiyamah: 5-12)
Geloof in het Hiernamaals
Geloof in het Hiernamaals is één van de meest belangrijke fundamenten van het geloof. In de eerste surah van de Qur’an verklaart God na Zijn eigenschappen “De Barmhartige” en de “Meest Genadevolle” dat “Hij de Koning is van de dag des Oordeels” (Surah al-Fatiha; 3). In het derde vers van de volgende surah, word er verklaard dat de gelovigen zijn “...diegenen die geloof hebben in het Onzichtbare..” (Surah al-Baqarah: 3)
Dit begrip van “het Onzichtbare” bevat ook het opstaan van de dode, de dag van de wederopstanding, paradijs en hel, in het kort alles wat verbonden is met het Hiernamaals. In het volgende vers, het vierde vers van Surah al-Baqarah, wordt in feite met de woorden ...zij zijn zeker over het Hiernamaals”, een bijzondere nadruk gelegd op het geloven in het Hiernamaals.
Geloof in het Hiernamaals is een teken van het ware geloof, en is als gevolg erg belangrijk. Het soort geloof in het Hiernamaals, zoals het door de Qur’an gedefinieerd wordt, zorgt voor krachtig bewijs van de oprechtheid en waarheidlievendheid van een gelovige. Iemand die in het Hiernamaals gelooft, heeft zich al berust in een onvoorwaardelijk geloof in God, in Zijn Boek en Zijn Boodschapper. Zo een individu weet dat God macht heeft over alle dingen en dat Zijn woorden en beloften waar zijn. Als gevolg hiervan herbergt hij geen twijfels over het Hiernamaals. Voor het zien en het getuigen van deze feiten stelt hij zijn vertrouwen op hen alsof hij ze al gezien heeft. Dit is het natuurlijke gevolg van het geloof en vertrouwen dat hij in God heeft en de wijsheid die aan hem is verleend. Naast een onwankelbaar vertrouwen in het Hiernamaals, gezuiverd van alle vormen van twijfels, heeft hij zowel vertrouwen in het bestaan van God als in Zijn Eigenschappen, zoals ze uitgelegd in de Qur’an uitgelegd zijn en geeft hij zichzelf volledig aan Hem over. Dit vertrouwen zorgt ervoor dat iemand God leert kennen en waarderen. Dit is het soort geloof wat God als kostbaar beschouwt.
Uit het voorgaande is het duidelijk dat het hebben van ware en volledige overtuiging berust op een betrokken geloof in het Hiernamaals. In vele delen van de Qur’an zijn er verwijzingen naar de ontkenningen van de ongelovigen van het Hiernamaals en hun besluiteloosheid over de totstandkoming. Eigenlijk bestaat de meerderheid van deze, uit mensen die geloven in het bestaan van God. Wat hen echter het meest misleid is niet de kwesties betreffende het bestaan van God, maar Zijn eigenschappen. Sommigen geloven dat God in eerste instantie alles schiep en vervolgens de mensen aan hun eigen plannen overliet. Aan de andere kant geloven sommigen dat God de mens schiep, maar dat het de individu zelf is die zijn eigen lot bepaald. Een andere groep beweert dat God niet de innerlijke gedachtes en geheimen van de mens kent. Sommige anderen geloven in het bestaan van God, maar verwerpen het idee van religie. De aanhangers van deze laatste overtuiging worden in de Qur’an als volgt beschreven:
En zij schatten de juiste waarde van Allah niet wanneer zij zeggen: "Allah heeft aan niemand iets geopenbaard." (Surah al-An’am: 91)
Met als gevolg dat zij in plaats van een totale ontkenning van het bestaan van God, “God niet op Zijn juiste waarde schatten” en dienovereenkomstig het Hiernamaals ontkennen, ligt dit ten grondslag aan ongelovigheid. Het aantal mensen die het bestaan van God weigeren te accepteren is in feite tamelijk laag en veel van hen hebben vaak twijfels over hun overtuigingen. Dit is waarom er in de Qur’an weinig vermeld is over mensen die God ontkennen. Omgekeerd vindt men omvangrijke referenties aan mensen die deelgenoten aan God toeschrijven en het herrijzen vanuit de dood, de Dag des Oordeels, Paradijs, Hel en alle details en argumenten betreffende het geloof in het Hiernamaals ontkennen.
Hoewel het Hiernamaals een feit is dat niet kan worden waargenomen door de vijf zintuigen, creëerde God het samen met ontelbare bewijsstukken, zodat onze gedachten het gemakkelijk kunnen bevatten. Men zou eigenlijk, als een vereiste voor het slagen van de test van deze wereld, dit feit niet door de vijf zintuigen, maar met wijsheid en als gewetenskwestie moeten waarnemen. Ieder gemiddeld persoon erkent gemakkelijk na enige overpeinzing dat alles in zijn omgeving, zichzelf inbegrepen, niet tot stand is gekomen als gevolg van louter toeval, maar eerder door de uitoefening van de superieure macht, kennis, wil en controle van een Schepper. Dan begrijpt hij vervolgens dat de verwezenlijking van Hiernamaals slechts aan God is en dat het het meest natuurlijke en rationele gevolg van deze wereld is. Hij realiseert zich bovendien dat God’s wijsheid en rechtvaardigheid het bestaan van het Hiernamaals met zich meebrengt.
Hoewel dit zo duidelijk is, zou iemand die opstandig is jegens de bevelen van God, een afkeer kunnen hebben van het idee van het herrijzen vanuit de dood. Aangezien het iemand is die zijn leven doorbrengt met het tevreden stellen van zijn ijdele wensen, is hij niet bereid om vóór God te staan om verslag uit te brengen over de daden die hij in zijn hele leven heeft begaan. Dat is waarom, ondanks het hebben van een grondige greep van het bestaan van God, hij er de voorkeur aan zou geven om de stem van zijn geweten te onderdrukken en zichzelf te bedriegen. Door in een dergelijke mate te worden beperkt, bedenkt een ongelovige onverstandige, inconsequente en irrationele vergelijkingen, zonder enige overwegingen op lange termijn te maken, enkel om de wederopstanding en het Hiernamaals te ontkennen:
En hij zet Ons verhalen voor en vergeet zijn eigen ontstaan. Hij zegt: "Wie kan de eenderen doen herleven als zij vergaan zijn?" (Surah Ya sin: 78)
Deze vraag echter, die slechts opgezet is om aan de realiteit te ontsnappen en zelfbedrog steunt, heeft een expliciet antwoord:
Zeg: "Hij, Die hen voor de eerste keer schiep zal hen doen herleven; Hij heeft kennis van de gehele schepping.” (Surah Ya sin: 79)
In de Qur’an maakt God duidelijk dat het maken van zulke inconsequente vergelijkingen een kenmerk is, die typerend is voor ongelovigen:
Het kenteken van degenen die niet in het Hiernamaals geloven is slecht, terwijl Allah's kenteken het beste is, Hij is de Almachtige, de Alwijze. (Surah an-Nahl: 60)
Sommigen proberen aan de andere kant hun standpunt te rechtvaardigen door het leveren van zogenaamde verklaringen:
Zij (de ongelovigen) zeggen: "Zullen wij werkelijk tot onze vroegere toestand worden teruggebracht, zelfs al zijn wij vergane beenderen geworden?"
Zij zeggen: "Dan zou deze opstanding een ondergang zijn." (Surah an-Nazi’at: 10-12)
In feite, ondanks dat men ervan overtuigd is, aarzelen zij niet om toe te geven dat het bestaan van het Hiernamaals niet past bij hun levensdoelen. De ongelovige beperkt zijn eigen wijsheid door zijn eigen wil. Bij het zien van de irrationaliteit van zijn eigen beweringen, benadert hij deze kwestie nog steeds met sentimentele hardnekkigheid en gaat meer doen om er psychologische geruststelling in te vinden:
En zij zweren bij Allah hun sterkste eden, dat Allah de doden niet zal doen herrijzen. Waarlijk het is een ware belofte maar de meeste mensen weten het niet. (Surah an-Nahl: 38)
Hun nukken en verlangens tot hun goden nemend, uiten deze mensen nutteloze woorden om hun gewetens te gerust te stellen en er toevlucht bij te zoeken. God beschrijft de eigenschap van deze mensen die het bestaan van het Hiernamaals ontkennen:
Voorwaar, Wij hebben menige djinn en mens geschapen wier einde de hel zal zijn. Zij hebben harten maar begrijpen er niet mede en zij hebben ogen maar zij zien er niet mede en zij hebben oren maar zij horen er niet mede. Zij zijn als vee, neen zij dwalen nog meer (dan dit), zij zijn de achtelozen. (Surah al-A’raf: 179)
In een ander deel van de Qur’an wordt de situatie van deze mensen als volgt beschreven:
En zij zeggen: "Er is niets dan dit tegenwoordige leven, wij leven en sterven; alleen de tijd vernietigt ons." Maar zij hebben daaromtrent geen kennis, zij vermoeden slechts. (Surah Al-Djaasi’jah: 24)
De Realiteit van het Wereldse Leven
Ongelovigen beweren dat het onmogelijk is om bepaalde kwestie middels wijsheid te begrijpen. De dood, het herrijzen uit de dood en het Hiernamaals, zo beweren zij, vallen hieronder.
We kunnen parallellen trekken tussen deze twee concepten en het fenomeen van slaap en dromen. Iemand die aanhoudend ontkent dat hij na de dood herrijst en continu aan de gedachte van de dood ontsnapt, is zich er in feite niet van bewust dat hij de dood iedere nacht tijdens zijn slaap ervaart en eveneens in de ochtend uit de dood herrijst, wanneer hij opstaat. Het verslag van slaap dat door de Qur’an geleverd is, is een grote steun bij het begrijpen van het onderwerp. God beschrijft slaap in de Qur’an als volgt:
Allah neemt de zielen van de mensen op wanneer zij sterven en ook van hen die niet sterven tijdens hun slaap. Dan houdt Hij die, die Hij ten dode heeft opgeschreven en zendt de overigen tot een bepaalde tijd (in het lichaam) terug. Hierin zijn stellig tekenen voor een volk dat nadenkt. (Surah az-Zumar: 42)
Hij is het, Die uw ziel in de nacht neemt en weet hetgeen gij overdag doet; daarna wekt Hij u weder op, opdat de vastgestelde termijn moge worden voltooid. Dan is uw terugkeer tot Hem. Daarna zal Hij u inlichten over hetgeen gij deedt. (Surah al-An’am: 60)
In het bovengenoemde vers wordt de toestand van slapen als “dood” vermeldt. Er wordt geen significant onderscheid gemaakt tussen dood en slaap. Wat er gebeurt tijdens de slaap, heeft dat verbazingwekkende gelijkenissen met de dood? Slaap is het vertrek van de menselijke ziel van het lichaam die het bezit als het wakker is. Tijdens het dromen krijgt de ziel een totaal ander lichaam en begint een totaal andere omgeving waar te nemen. We kunnen nooit opmerken dat dit een droom is. We voelen angst, spijt en pijn, we worden opgewonden of we ervaren plezier. In onze dromen voelen we ons erg verzekerd dat wat ons overkomt echt is en we geven vaak dezelfde reacties zoals we die geven wanneer we wakker zijn.
Als het technisch mogelijk was om van buiten te interveniëren en de dromer te vertellen dat wat hij zag louter gevoelens en illusies waren, dan zou hij deze waarschuwing simpelweg negeren en zelf denken dat hij werd “bedrogen”. In werkelijkheid echter hebben deze waarnemingen geen materiële correlaties in de uiterlijke wereld en wat we in onze dromen ervaren is de som van de beelden en gewaarwordingen welke God in onze zielen projecteert. Het belangrijkste punt dat we in gedachten moeten houden is het feit dat dezelfde Goddelijke wet nog steeds van toepassing is wanneer we wakker worden. In de Qur’an bevestigt God dat dromen onder Zijn wil en controle zijn zoals gesteld is in het vers:
Gedenk de tijd toen Allah hen (de vijanden) in uw ogen als weinigen toonde; had Hij hen u als velen getoond, dan zoudt gij voorzeker hebben geweifeld en met elkander over de zaak getwist; maar Allah bewaarde u; voorzeker, Hij heeft volle kennis over hetgeen in het innerlijk is. (Surah al-Anfal: 43)
En toen Hij hen in de tijd van uw ontmoeting als weinigen in uw ogen deed voorkomen en u als weinigen in hun ogen deed voorkomen, zodat Allah hetgeen gedaan moest worden tot stand mocht brengen. En tot Allah worden alle dingen teruggebracht. (Surah an-Anfal: 44)
Dit zorgt voor duidelijk bewijs dat dezelfde wet op het dagelijkse leven van toepassing is. Het feit dat we dit beeld van deze kwestie hebben, is geheel onderworpen aan de wil en schepping van God en zonder Hem is er geen bestaan, zoals in het volgende vers wordt weergegeven:
Voorzeker was er voor u een teken in de twee legers die elkander ontmoetten, het ene leger vechtend voor de zaak van Allah en het andere ongelovig, dezen zagen de anderen voor hun eigen ogen dubbel zo talrijk als zijzelf. En Allah versterkt met Zijn hulp, wie Hij wil. Daarin is zeker een les voor hen, die ogen hebben. (Surah Al’Imran: 13)
Net zoals in het geval van dromen, wat we ervaren gedurende het dagelijkse leven en kwesties nemen we aan dat wat extern bestaat beelden zijn die op door God op onze zielen geprojecteerd zijn, samen met de gevoelens die Hij ons gelijktijdig doet bemerken. Beelden en acties betreffende onze lichamen, net als de lichamen van andere wezens, bestaan omdat God de gerelateerde beelden en waarnemingen creëert, beeld voor beeld.
Dit feit is uitgelegd in de Qur’an:
Gij dooddet hen niet, doch Allah was het, Die hen doodde. En gij wierpt niet toen gij wierpt, maar Allah was het die wierp, opdat Hij de gelovigen een grote gunst van Zich mocht bewijzen. Voorzeker, Allah is Alhorend, Alwetend. (Surah al-Amfal: 17)
Dezelfde Goddelijke wet is van toepassing op de schepping van het Hiernamaals en de beelden en waarnemingen die er gerelateerd aan zijn. Wanneer de dood komt, zijn alle relaties met deze wereld en het lichaam verbroken. De ziel is echter eeuwig omdat God Zijn Geest erin blies. Alles verwant met leven, dood, wederopstanding en het leven in het Hiernamaals bestaat louter uit talrijke waarnemingen die door de eeuwige ziel gevoeld worden. Daarom is er in termen van fundamentele redenering er geen significant onderscheid is tussen de schepping van deze wereld en die van het paradijs of de hel. Evenzo is de overgang van deze wereld naar het Hiernamaals niet anders dan het ontwaken uit de slaap en het verder gaan met het dagelijkse leven. Met de wederopstanding begint een nieuw leven in het Hiernamaals, met een nieuw lichaam. Zodra de waarnemingen betreffende het paradijs of de hel op de ziel zijn geprojecteerd, begint het individu ze te ervaren. God, de Schepper van oneindige beelden, stemmen, geuren, smaken en gevoelens betreffende dit leven, zal op een zelfde manier oneindig beelden en gevoelens scheppen van het paradijs en de hel. De schepping van dit alles is gemakkelijk voor God:
....Wanneer Hij iets besluit, zegt Hij slechts: "Wees" en het wordt". (Surah al-Baqarah: 117)
Een ander punt om op te merken is dat net zoals het leven in deze wereld in een scherpere verhevenheid dan dromen verschijnt, zo is ook het Hiernamaals vergeleken met het leven in deze wereld. Net zoals dat dromen kort zijn in vergelijking met dit leven, zo is dit ook het geval met dit leven vergeleken met het Hiernamaals. Tijd is niet statisch, zoals eerder is voorgesteld, maar het is een relatief begrip. Dit is een feit die door de hedendaagse wetenschap bevestigd is. Dromen is een gebeurtenis waarvan verondersteld werd dat het uren duurt, maar het duurt slechts een paar seconden. Zelfs de langste droom duurt slechts een paar minuten. Toch veronderstelt degene die droomt dat hij dagen doorbrengt met het ervaren ervan. Er wordt in de Qur’aan gerefereerd aan de relativiteit van tijd:
De engelen en de geest gaan tot Hem op, in een Dag waarvan de maat vijftig duizend jaren is. (Surah al-Ma’rarij: 4)
Hij ordent het bestel van de hemel tot de aarde, daarna zal deze tot Hem opstijgen in een dag, waarvan de duur naar uw berekening duizend jaar is. (Surah as-Sajdah: 5)
Evenzo heeft een persoon die veel jaren in deze wereld doorbrengt, eigenlijk een kort leven, gebaseerd op het tijdsbegrip van het Hiernamaals. Het volgende gesprek tijdens het oordeel in het Hiernamaals is een goed voorbeeld hiervan:
Hij (God) zal vragen: "Hoeveel jaren zijn jullie op de aarde gebleven?" Zij zullen antwoorden: "Wij bleven een dag of een deel van een dag. Vraag dus degenen die rekening houden." Hij zal zeggen: "Jullie verbleven een korte tijd, hadden jullie het maar geweten." Dachten jullie, dat Wij jullie tevergeefs schiepen en dat jullie niet tot Ons zult worden teruggebracht? (Surah al-Mu'minun: 112-115)
Aangezien dit het geval is, is het duidelijk dat het riskeren van iemands eeuwige leven in ruil voor dit tijdelijke een onverstandige keuze is. Dit wordt nog duidelijker wanneer men het gebrek van dit wereldse leven beschouwt, in vergelijking tot het Hiernamaals.
Samengevat is het veronderstellen een extern bestaan te hebben niets meer dan waarnemingen die op de mens hun ziel geprojecteerd zijn door God. Een persoon gelooft dat zijn lichaam tot hem zelf behoort. Het lichaam is echter niets meer dan een voorstelling die God op de ziel van de mens projecteert. God verandert de beeltenissen wanneer hij maar wilt. Wanneer het beeld van het lichaam plotseling verdwijnt en de ziel nieuwe illusies begint te zien, met andere woorden wanneer men sterft, wordt de sluier over de ogen verwijderd en dan realiseert men zich dat de dood geen verdwijning is zoals men had geloofd. Dit wordt in Qur’an als volgt verklaard:
En de bezwijming des doods komt waarlijk. "Dit is hetgeen gij wildet ontvrluchten."
En er zal op de bazuin worden geblazen. "Dit is de Dag der Bedreiging."
En iedere ziel zal tezamen komen met een geleider en een getuige.
Er zal worden gezegd: "Gij waart hieromtrent achteloos. Nu hebben Wij uw sluier van u weggenomen en uw oog ziet deze Dag scherp." (Surah Qaf: 19-22)
Ongelovigen verkrijgen daarbij een beter begrip van de waarheid:
Zij zullen zeggen: "O wee ons, wie heeft ons van onze slaapplaatgen gewekt? Dit is hetgeen de Barmhartige heeft beloofd, en de boodschappers spraken de waarheid." (Surah Ya Sin: 52)
Vanaf dan beginnen de ongelovigen een groot spijtgevoel te ervaren – de grootste van alle spijtgevoelens.
|