DE MARTELINGEN
VAN DE HEL
NAAR DE HEL WORDEN GEBRACHT
De hel...Deze plaats, waar de eigenschappen van God, al-Jabbar (de Onweerstaanbare),
al-Qahhaar (de onderwerper) en al-Muntaqim (de Vergelder) voor alle eeuwigheid
worden gemanifesteerd, is speciaal geschapen om de mens te laten lijden.
In de Qur’an wordt de hel beschreven alsof het een levend wezen is. Dit
schepsel is vol van woede op en haat de ongelovigen. Vanaf de dag dat
het geschapen was, wacht het ongeduldig om zijn wraak op de ongelovigen
te nemen. Het verlangen van de Hel naar de ongelovigen vermindert nooit.
Zijn haat voor de ongelovigen maakt het woedend. Wanneer het degenen treft
die ontkennen, neemt zijn woede toe. De schepping van dit vuur dient een
enkel doel; om een onverdraagbare straf toe te dienen. Het zal waarlijk
zijn plicht uitvoeren en de ernstigste van alle pijnen geven. Nadat de
veroordeling van de ongelovigen in de aanwezigheid van God plaats heeft
gevonden, zullen zij hun Boeken van de linkerzijde nemen. Dit is het moment
dat ze voor alle eeuwigheid naar de hel gestuurd zullen worden. Voor de
ongelovigen is er geen gelegenheid om te ontsnappen. Er zullen miljarden
mensen zijn, maar toch zal deze enorme massa een gelegenheid bieden om
te ontsnappen of om genegeerd te worden. Niemand kan zich in deze menigte
verbergen. Degenen die naar de hel gezonden worden, zullen met een getuige
komen en iemand die de ziel voordrijft:
En er zal op de bazuin worden geblazen. "Dit is
de Dag der Bedreiging." En iedere ziel zal tezamen komen met een geleider
en een getuige. Er zal worden gezegd: "Gij waart hieromtrent achteloos.
Nu hebben Wij uw sluier van u weggenomen en uw oog ziet deze Dag scherp."
En zijn metgezel zal zeggen: "Dit is hetgeen bij mij gereed is." "Werpt,
werpt in de hel elke ondankbare vijand. "Die het goede belette, de overtreder,
de twijfelaar, "Die een andere God naast Allah oprichtte, doet hem de
strenge marteling ondergaan." (Surah Qaf: 20-26)
De ongelovigen worden naar deze afschuwelijke plaats gedreven. Volgens
de woorden van de Qur’an worden ze “in groepen” gedreven. Op weg naar
de hel echter, wordt er angst opgewekt in de harten van de ongelovigen.
Het verschrikkelijke lawaai en gebrul van het vuur wordt van een afstand
gehoord:
Wanneer zij er in worden geworpen, zullen zij haar
van woede horen zieden. Zij zal bijna barsten van woede. Telkens als een
groep er in geworpen wordt, zullen de bewakers er van (der hel) hun vragen:
"Kwam er geen waarschuwer tot u?" (Surah al-Mulk: 7-8)
Uit de verzen is het duidelijk dat wanneer ze opnieuw worden geschapen,
dat alle ongelovigen zullen begrijpen wat hen zal overkomen. Ze zullen
geheel alleen blijven; geen vrienden, familie of helpers zullen daar zijn
om te helpen. De ongelovigen zullen niet de kracht hebben om arrogant
te zijn en ze zullen kijken met afgewende ogen. Een van de versen beschrijft
dit moment als volgt:
En gij zult hen aan het Vuur zien blootgesteld,
door schande vernederd, terwijl zij er met neergeslagen ogen naar kijken.
De gelovigen zullen zeggen: "De verliezers zijn inderdaad zij die zichzelf
en hun familie op de Dag der Opstanding hebben verloren." Ziet toe! de
onrechtvaardigen zullen een blijvende straf ontvangen. (Surah ash-Shura:
45)
De Ingang van de Hel en de Poorten van de Hel
Uiteindelijk arriveren de ongelovigen bij de poorten van de hel. De Qur’an
beschrijft de gebeurtenissen daar als volgt:
En de ongelovigen zullen naar de hel worden gedreven,
wanneer zij deze bereiken, zullen de poorten worden geopend en haar wachters
zullen tot hen zeggen: "Kwamen er geen boodschappers van uit uw midden
tot u, de tekenen van uw Heer verkondigende en u waarschuwende voor de
komst van deze Dag?" Zij zullen antwoorden: "Ja zeker!" Maar nu is de
uitspraak van de straf tegen de ongelovigen van kracht geworden. Er zal
worden gezegd: "Gaat de poorten der hel binnen om er in te vertoeven,
slecht is de verblijfplaats voor de hoogmoedigen." (Surah az-Zumar: 71-72)
Voor elke groep is een speciale poort geschapen. Afhankelijk van de mate
van hun opstand tegen God, worden de mensen aan een classificatie onderworpen.
De ongelovigen worden in de hel in hun individuele plaatsen geplaatst,
overeenstemmend met de zondes die ze hebben begaan. Het wordt aldus in
de Qur’an verklaard:
Hij zal zeggen: "Gaat onder de volkeren van djinn
en mensen die voor u heengingen, het Vuur binnen." Steeds wanneer een
volk er binnengaat zal het zijn zustervolk vervloeken, totdat, wanneer
zij er allen opeenvolgend in zijn aangekomen, de laatsten over de eersten
hunner zullen zeggen: "Onze Heer, dezen deden ons dwalen, geef hun daarom
een dubbele straf van het Vuur." Hij (Allah) zal zeggen: "Er is voor iedereen
het dubbele, maar gij weet het niet.'' (Surah al-‘Araf: 38)
Een ander vers verleent gedetailleerde informatie over de hel:
"En de hel is zeker de beloofde plaats voor hen
allen." "Zij heeft zeven poorten en elke poort heeft een gedeelte hunner
toegewezen gekregen." (surah al-Hijr: 43-44)
Degenen die onderworpen zijn aan de zwaarste straf, zullen de hypocrieten
zijn. Dit zijn de mensen die zich gedroegen alsof ze gelovigen waren,
terwijl ze geen geloof in hun harten hadden:
De huichelaars zullen zeker in de diepste diepte
van het Vuur zijn en gij zult voor hen geen helper vinden. (Surah an-Nisa’:
145)
De hel is vol haat; zijn honger voor de ongelovigen kan nooit worden
gestild. Ondanks de vele ongelovigen die erin gegooid zijn, vraagt het
om meer:
Op die Dag zullen Wij tot de hel zeggen: "Zijt
gij gevuld?" En zij zal antwoorden: "Is er nog iets?" (Surah Qaf: 30)
Als het eenmaal iets vangt, houdt het deze voor alle eeuwigheid. God
beschrijft de hel in de Qur’an als volgt:
Weldra zal Ik hem in het Vuur werpen. En wat weet
gij wat het Vuur der hel is? Het ontziet niets, noch laat het iets (onverteerd)
achter. Het verschroeit het gezicht. (Surah al-Muddaththir: 26-29)
Zeker, het binngaan van de hel is ook pijnlijk. Mensen worden erin “gegooid”.
In de woorden van een ander vers, worden ze erin “gebundeld”
(Surah ash-Shu’ara: 94).
Een Eindeloos Leven Achter Gesloten Deuren
Zodra de ongelovigen in de hel aankomen, worden de deuren achter hen
gesloten. Hier zien ze de vreselijkste aanblikken. Ze begrijpen onmiddellijk
dat de hel aan hen wordt getoond, de plaats waar ze voor alle eeuwigheid
zullen verblijven. De gesloten deuren tonen aan dat er geen redding zal
zijn. God beschrijft de staat van de ongelovigen als volgt:
Maar zij, die niet in Onze tekenen geloven zullen
aan de linker hand zijn. Een gesloten Vuur zal hen omringen. (Surah al-Balad:
19-20)
De marteling in de Qur’an wordt beschreven als “een
zware bestraffing” (Surah Al ‘Imraan: 176), “een
zware ondergang” (Surah Al ‘Imraan: 4), en “een
pijnlijke berisping” (Surah al’ Imraan: 21). De beschrijvingen
hiervan zijn inadequaat om een volledig begrip van de bestraffing van
de hel te geven. De mens die in de wereld niet in staat is om aan kleine
branden te lijden, kan het niet bevatten om aan het vuur voor alle eeuwigheid
te worden blootgesteld. Wat er nog bijkomt, is dat de pijn die een vuur
in de wereld geeft, in geen vergelijking staat met de zware marteling
van de hel. Geen pijn kan hetzelfde zijn als die van de hel:
Niemand straft zoals Hij op die Dag zal straffen.
Noch boeit iemand zoals Hij zal boeien. (Surah al-Fajr: 25-26)
Er is leven in de hel. Maar toch is het een leven waarin ieder moment
vol marteling en smart is. In dat leven, gaan iedere vorm van fysieke,
mentale en psychologische marteling, samen met verschillende vormen van
martelingen en ongenade woeden ongecontroleerd door. Het is onmogelijk
om het te vergelijken met ook maar de minste vorm droefheid in de wereld.
De mensen in de hel bemerken pijn middels alle vijf de zintuigen. Hun
ogen zien weerzinwekkende en verschrikkelijke beelden; hun oren horen
angstaanjagend gegil, gebrul en gehuil; hun neuzen vullen zich met verschrikkelijke
en scherpe geuren; hun tongen proeven de meest onverdraagbare, walglijke
smaken. Ze voelen de hel diep in hun cellen; dit is een zware, razend
makende pijn die in deze wereld moeilijk is voor te stellen. Hun huid,
hun interne organen en hun gehele lichaam zijn wrak en ze krimpen van
de pijn.
De mensen van de hel zijn resistent tegen de pijn en zij sterven nooit.
Vandaar dat zij zichzelf nooit van de marteling kunnen redden. Hun huiden
worden hersteld wanneer die branden; dezelfde marteling duurt tot in de
eeuwigheid voort; de intensiteit van de marteling neemt nooit af. God
zegt in de Qur’an: “Brandt daarin; en het zal voor
u hetzelfde zijn, of gij geduld of ongeduld toont. U is slechts vergolden
voor hetgeen gij placht te doen.” (Surah at-Tur: 16)
Niet minder dan de fysieke pijn, is ook de mentale pijn zwaar in de hel.
Mensen in de hel hebben diepgaande spijt, vervallen in hopeloosheid, en
voelen zich wanhopig. Iedere hoek, iedere plaats in de hel is ontworpen
om mentaal lijden te geven. Het lijden is eeuwig; als het na miljoenen
of miljarden jaren zou eindigen, dan zou zelfs zo’n lange termijn vurige
hopen doen ontstaan en blijft dit een sterke reden voor vrolijkheid en
blijheid. Maar toch zal de eeuwigheid van de marteling een soort hopeloosheid
doen inspireren, die niet vergeleken kan worden met enig gelijkwaardig
gevoel in deze wereld.
Volgens de Qur’an is de hel een plaats waar extreme pijn ervaren wordt.
Het is smal, lawaaierig, rokerig en donker, waarbij het de menselijke
ziel onzekere gevoelens ingeeft. Het is een plaats die wordt gekenmerkt
door walgelijke geuren, vuren die diep in het hart branden, smerig voedsel
en drank, gewaden van vuur en vloeibare pek. Dit zijn de basiskenmerken
van de hel. Er is echter een leven in deze verschrikkelijke omgeving.
De mensen van de hel hebben scherpen zintuigen. Ze horen, praten en debatteren
en ze proberen te ontsnappen aan het lijden. Ze branden in de hel, worden
dorstig en hongerig en hebben spijt. Ze worden gemarteld door gevoelens
van schuld. Wat nog belangrijker is, is dat ze willen dat de pijn wordt
verlicht. De mensen van de hel leven een oneindig leven, die nog vernederende
is dan dat van dieren in deze vieze en walgelijke omgeving. Het enige
voedsel dat ze hebben zijn de vruchten van bittere doorns en de boom van
zaqqum. Anderzijds is hun drinken bloed en pus. Ondertussen verslindt
het vuur hen overal. De folterende pijn wordt als volgt afgebeeld:
Gewis, degenen die Onze tekenen verwerpen zullen
Wij weldra het Vuur doen binnengaan. Wij zullen hen telkens, wanneer hun
huiden zijn verbrand, andere huiden er voor in de plaats geven; opdat
zij de straf ten volle zullen ondergaan. Waarlijk, Allah is Almachtig,
Alwijs. (Surah an-Nisa’: 56)
Met een huid die verscheurt, vlees dat verbrandt en bloed dat overal
spettert worden zij geketend en gegeseld. Met handen vastgebonden aan
hun nekken, worden zij in het hart van de hel geworpen. De engelen van
de bestraffing plaatsen ondertussen degenen die schuldig zijn in bedden
van vuur, met hun dekkleden die ook van vuur zijn. De lijkkisten waarin
ze worden geplaatst zijn eveneens bedekt met vuur. De ongelovigen schreeuwen
continu om van zulke smart gered te worden. En hierop ontvangen ze vaak
alleen maar meer vernedering en marteling. Ze worden geheel alleen gelaten.
Deze taferelen zullen allemaal waar worden. Zij zijn echt. Ze zijn meer
echt dan onze dagelijkse levens. Degenen “onder
de mensen die Allah weifelend aanbidden” (Surah al-Hajj: 11); degenen
die zeggen "Het Vuur zal ons slechts voor een luttel
aantal dagen deren." (Surah Al’Imraan: 24); degenen die geld verdienen,
status en carričre verkrijgen en andere soorten van zulke materiële dingen
tot de hoofddoelen van hun leven maken en vervolgens het plezier van God
negeren; degenen die de bevelen van God veranderen in overeenstemming
met hun eigen wensen en verlangens; degenen die de Qur’an interpreteren
volgens hun eigen belangen; degenen die afdwalen van het rechte pad –
in het kort – alle ongelovigen en hypocrieten zullen in de hel verblijven,
behalve degenen aan wie God zijn genade en vergevensgezindheid heeft verleend.
Dit is het beslissende woord van God en het zal zeker worden overgebracht:
Indien Wij het wilden, zouden Wij aan elke ziel
haar leiding kunnen geven, maar Mijn woord werd bewaarheid: "Ik zal de
hel met djinn en mensen allen tezamen vullen." (Surah as-Sajdah: 13)
Deze mensen zijn al voorbestemd voor de hel:
Voorwaar, Wij hebben menige djinn en mens geschapen
wier einde de hel zal zijn. Zij hebben harten maar begrijpen er niet mede
en zij hebben ogen maar zij zien er niet mede en zij hebben oren maar
zij horen er niet mede. Zij zijn als vee, neen zij dwalen nog meer (dan
dit), zij zijn de achtelozen. (Surah al-A’raf: 179)
De Bestraffing van het Vuur
In dit leven van de hel is de grootste en meest kenmerkende bestraffing
ongetwijfeld het worden blootgesteld aan het vuur. In tegenstelling met
ander vormen van bestraffingen laat het vuur, als meest onderscheidende
kenmerk van de hel, onherstelbare sporen achter op het menselijke lichaam.
Het is een straf die het lichaam tot op de zijn “cellen”
doordringt. De mensen van de hel worden in deze “Razende
Vlam” gegooid (Surah al-Ma’arij: 15). Ze branden in “een
Laaiend Vuur” (Surah al-Furqaan: 11) wat “een
Vuur is dat razend is” (Surah al-Layl: 14). In een ander vers van
de Qur’an is er gezegd:
Doch hij, wiens schalen licht zijn, Zijn toevlucht
zal Hawi'jah zijn. En gij weet niet, wat dit is. Het is een laaiend Vuur.
(Surah al-Qari’ah: 8-11)
Uit de verzen begrijpen we dat het vuur over de gehele hel raast. Er
is in deze pit geen enkele plaats die tegen het vuur beschermd blijft.
Het vuur bereikt iedere hoek van de hel. Tijdens de onderwerping aan andere
fysieke en spirituele martelingen, is de ongelovige constant in aanraking
met het vuur. Het hellevuur is enorm groot. In de Qur’an worden er analogieën
getrokken met de vonken van het vuur en ”grote vonken ter grootte van
kastelen” en “een kudde van gele kamelen”, om de intensiteit en de omvang
van het vuur te beschrijven.
Wee op die dag de ontkenners!
Gaat voort naar dat wat je ontkende!
Wee op die Dag degenen die loochenen. Men zal zeggen:
"Gaat naar (de straf) welke gij loochendet. Begeeft u tot een schaduw
van drie takken, Die geen koelte geeft, noch beschermt tegen de vlam."
Ziet! Het (Vuur der hel) gooit vonken op als kastelen. Alsof zij kamelen
van een gele kleur waren. (Surah al-Mursalat: 28-33)
De ongelovigen wijden al hun energie eraan om aan de vlammen te ontsnappen,
maar dit is niet toegestaan. Het is een vuur “welke hem zal opeisen, die
zich afwendt en wegloopt” (Surah al-Ma’rarij: 17). Een ander vers vertelt
over het geloof van de ontkenners:
Maar het tehuis van de ongehoorzamen zal het Vuur
zijn. Telkens wanneer zij er uit willen komen, zullen zij er weer in worden
teruggedreven en hun zal worden gezegd: "Ondergaat de straf van het Vuur
die gij loochendet." (surah as-Sajdah: 20)
Het schreeuwen en smachten van de degenen die aan zulke bestraffingen
zijn onderworpen kunnen overal gehoord worden. Slechts dit angstaanjagende
geschreeuw en gesmacht zijn een bijzondere bron van bestraffing voor de
ongelovigen:
Daarin zullen zij weeklagen en niets horen. (surah
an-Anbiya’:100)
Degenen dan, die ongelukkig zullen zijn, zullen
in het Vuur zijn waarin zij zullen zuchten en steunen (Surah Hud: 106)
Het vuur veroorzaakt ondragelijke pijn. Mensen zijn zelfs niet in staat
om zulke pijn zoals die de vlam die een lucifer geeft te verdragen. Iedere
pijn in deze wereld is onbeduidend in vergelijking met dat van het hellevuur.
Niemand kan in de wereld voor een lange periode aan vuur worden blootgesteld.
Of hij gaat binnen 5-10 seconden dood, of hij voelt de pijn voor een beperkte
periode. Het hellevuur is afschuwelijk; het doodt niet maar het legt slechts
pijn op. De mensen in de hel zullen aan een vuur wat voor altijd zal blijven
worden blootgesteld. De kennis dat deze marteling nooit zal eindigen,
doet de gevangenen van de hel in een staat van grote hopeloosheid vallen.
Ze voelen zich wanhopig en ervaren een gevoel van totale vernietiging.
Een verbrand gezicht is het meest ongewenste aspect van de bestraffing.
Dit omdat het gezicht een belangrijk onderdeel van het lichaam is, welke
iemand een gevoel van trots geeft. Het geeft een persoon een identiteit
en het is de meest significante expressie van hetgeen we “ik” noemen.
Vaak worden de kenmerken van lelijk of mooi toegeschreven aan het gezicht.
Bij het zien van foto’s van een persoon met een ernstige verbranding op
zijn gezicht, huiveren mensen en richten zich onmiddellijk tot God voor
het vragen om bescherming voor zichzelf tegen zulke rampen. Niemand wilt
door zo’n ellende getroffen worden. De ongelovigen zijn achteloos over
een van de meest belangrijke feiten; geleidelijk aan benaderen ze een
soortgelijk einde en een ongelofelijk ernstige. De pijn van het hellevuur
dringt het gehele menselijke lichaam binnen. Wanneer het gezicht wordt
blootgesteld aan het vuur, wordt het een onverdraagbare marteling. Ogen,
oren, neus, tong en huid, in het kort; alle zintuiglijke organen bevinden
zich in dit belangrijke deel van het lichaam. Iedere bedreiging aan het
gezicht, ofschoon minimaal, ontlokt een sterke reflex reactie. In de hel
echter is het gezicht verschroeid. Op deze manier is het kwetsbaarste
gedeelte van het lichaam het meest ernstig verwond. Deze bestraffing wordt
in de volgende verzen als volgt afgebeeld:
De Dag waarop hun gezicht zich in het Vuur zal
wentelen zullen zij zeggen: "O, hadden wij slechts Allah en Zijn boodschapper
gehoorzaamd!" (Surah al-Ahzab: 66)
Hun kleren zullen van pek zijn en het Vuur zal
hun gezicht omhullen (Surah Ibrahim: 50)
Het Vuur zal hun gezicht branden en zij zullen
er in verschrompelen. (surah al-Mu’minun: 104)
Het Brandhout voor de Hel en het Kokend Water
In de Qur’anische beschrijvingen omtrent de manier waarop de ongelovigen
in het hellevuur branden, vinden we een boeiende uitdrukking: er wordt
naar de ongelovigen verwezen als “brandhout voor het hellevuur”. Hun branden
is ongelijk aan het branden van ieder ander ding in het vuur. De ongelovigen
zelf vormen de brandstof voor het vuur:
En zij die van de rechte weg afwijken, zullen brandstof
der hel zijn. (Surah al-Jinn: 15)
Het Hout wat de vuurmaker is, brandt langer dan ieder ander materiaal
en met een grotere intensiteit. Evenzo worden de ongelovigen het hout
voor dit vuur welke zij ooit ontkenden. Dit feit wordt duidelijk gemaakt
in het volgende vers:
O gij die gelooft, redt u zelf en uw gezinnen van
het Vuur, welks brandstof mensen en stenen zijn, waarover engelen zijn,
hard en streng, die Allah niet ongehoorzaam zijn in hetgeen Hij hun beveelt,
en volvoeren wat hun wordt geboden. (Surah at-Tahriem: 6)
Voorzeker zullen de bezittingen en kinderen der
ongelovigen hun tegen God in het geheel niet baten: dezen zullen brandstof
voor het Vuur zijn. (Surah Al ‘Imraan: 10)
Voorwaar, gij met hetgeen gij buiten Allah aanbidt,
zult de brandstof der hel zijn. Daartoe zult gij komen. (surah al-Anbiya’:
98)
Net zoals de mensen als dienen, is er ook een echt hout om het vuur te
doen ontbranden. Maar toch is dit een andere soort bestraffing. De ongelovigen
die dicht in de wereld een goede band hadden, - man en vrouw bijvoorbeeld
– dragen hout voor elkaars vuur. Abu Lahab en zijn vrouw zijn een voorbeeld:
De macht van Aboe Lahab en hijzelf zullen vergaan.
Zijn rijkdommen en daden zullen hem niet baten. Weldra zal hij in een
laaiend Vuur branden. Ook zijn vrouw, de draagster van brandstof, Om haar
hals zal een koord van palmvezels hangen. (Surah al-Masad: 1-5)
Dit is het verbreken van alle banden in deze wereld. De ongelovigen die
zeiden dat ze erg van elkaar hielden en samen tegen God in opstand kwamen,
bouwen in de hel elkaars vuur. Iemand’s echtgenoot, familieleden en al
iemand’s boezemvrienden zullen vijanden worden. Verraad zal geen grenzen
kennen.
Het vuur dat gevoed wordt door “levend” en niet-levend hout doet ook
het water koken dat de ongelovigen doet “verschroeien”. De huid, een van
de vitale organen die over het gehele lichaam is uitgestrekt en nauwelijks
een paar millimeter dik is, doet iemand de buitenwereld waarnemen middels
het gevoel van aanraken. Met de geslachtsorganen inbegrepen, zijn alle
vitale organen zoals het gezicht, handen, armen, benen – de organen waaraan
iemand het allerhoogste belang hecht - bedekt met huid. Net zoals de huid
het orgaan is ,waarmee men plezier mee heeft, dankzij zijn gevoeligheid,
kan de menselijke huid een grote bron van pijn zijn. Het is vooral kwetsbaar
voor vuur en kokende vloeistoffen. Vuur verschroeit de huid, kokend water
brandt het uit. Heet brandend water vernielt de huid geheel; nauwelijks
een stukje huid blijft onbeschadigd. De dunne huid zwelt eerst op en raakt
dan ontstoken; dir veroorzaakt een ernstige pijn. Noch fysieke charme,
materiële rijkdom, kracht, noch beroemdheid, in het kort; niets, verschaft
een persoon weerstand tegen het heet brandende water. In de woorden van
de Qur’an:
Laat degenen die hun geloof tot een spel en tijdverdrijf
hebben gemaakt en wie het wereldse leven heeft bedrogen, met rust. En
waarschuw hiermee, opdat een ziel niet moge worden overgeleverd voor hetgeen
zij heeft gedaan. Zij zal naast Allah geen helper of bemiddelaar hebben.
En indien zij (zelfs) alles als losprijs zou aanbieden, zal deze van haar
niet worden aanvaard. Dezen zijn het, die zijn overgeleverd voor hetgeen
zij verdienden. Zij zullen een drank van kokend water en een smartelijke
straf ontvangen, omdat zij verwerpen.” (Surah: al-An’am: 70). In
een ander vers is er gezegd:
Maar als hij behoort tot de dwalenden die (de Waarheid)
hadden verloochend, dan is voor hem een onthaal op kokend water en branden
in de hel. Voorzeker dit is de werkelijkheid. (Surah al-Waqi’ah: 92-95)
"Grijpt hem en sleurt hem in het midden van het
laaiend Vuur; Giet daarna als marteling kokend water op zijn hoofd." Proef
dit! Voorzeker gij waart eens de machtige, de eerwaardige. Dit is inderdaad
datgene waaraan gij twijfeldet. (Surah ad-Dukhan: 47-50)
Behalve deze zijn er andere vormen van pijn die door het vuur worden
gegeven. Brandmerken is één van hen; de mensen van de hel worden gebrandmerkt
met heet-rode metalen. Deze metalen zijn eigenlijk de bezittingen die
de ongelovigen in de wereld als deelgenoten aan God toeschreven:
...En degenen, die goud en zilver ophopen en het
niet voor de zaak van Allah besteden, deel hun het nieuws van een pijnlijke
straf mee. Op de Dag, waarop het (geld) in het Vuur der hel verhit zal
worden en hun voorhoofd, hun zijden en hun rug er mede zullen worden gebrandmerkt,
(wordt hun gezegd:) "Dit is hetgeen gij voor uzelf hebt vergaard, ondergaat
daarom nu (de gevolgen van) hetgeen gij voor uzelf verzameld hebt." (Surah
at-Tawbah: 34-35)
Andere vormen van bestraffingen
In tegenstelling tot de ontvangen wijsheid, is de hel niet louter een
“gigantische oven”. De mensen van de hel zullen worden blootgesteld aan
het vuur. Dit is waar. De bestraffing in de hel wordt echter niet beperkt
tot alleen het branden. De mensen van de hel worden ook verzwolgen door
andere fysieke en psychologische straffen.
Verschillende methodes en uitrustingen worden in deze wereld gebruikt
om iemand aan marteling te onderwerpen. Vaak verlamt de marteling zijn
slachtoffers. Soms sterven ze aan de pijn. Degenen die het overleven worden
mentaal vervormt. Maar toch blijft het feit dat de technieken die gebruikt
werden voor de marteling in deze wereld, onvergelijkbaar simpeler zijn
dan die van de hel. De mensen van de hel zullen zeer verschillende en
zware martelingen ondergaan. In het geval van een persoon die geëlektrocuteerd
wordt, zijn zowel de toegediende elektriciteit als de kwetsbaarheid van
de mens jegens elektriciteit beiden geschapen door God. Vele andere onbekende
bronnen van pijn en de zwakheid van de mens vormen allen een gedeelte
van God’s perfecte kennis. Dienovereenkomstig zal God de meest zware van
alle martelingen toedienen. Dit is de wet van God, al-Qahaar (de Onderwerper).
Volgens de woorden van de Qur’an is er in de hel overal ellende. Er is
geen ontsnapping aan de straf; het verzwelgt de mensen van de hel aan
alle kanten. Ze kunnen de straf noch afweren, noch vermijden:
Zij vragen u de straf te verhaasten; maar waarlijk
de hel zal de ongelovigen omringen. Op de Dag waarop de straf hen zal
overweldigen van boven en van onder hun voeten, zal Hij zeggen: "Ondergaat
wat gij hebt bedreven." (Surah al-Ankaboet: 54-55)
Behalve deze, zijn er andere bronnen van lijden in de hel. Deze worden
in de Qur’an als volgt opgesomd:
De hel! daarin zullen zij branden, het is een slechte
rustplaats! Deze! Laat hen daarom een kokende en een ijskoude drank proeven.
En meer dergelijke van verschillende soorten. (Surah Saad: 56-58)
Vanuit deze en andere verzen begrijpen we dat er verschillende soorten
straffen in de hel kunnen zijn. Op de duidelijksten, zoals vuur en vernedering,
wordt, hierop in de Qur’an gezinspeeld. De mensen van de hel zijn echter
in geen geval immuun voor andere vormen van lijden. Bijvoorbeeld, behalve
vuur en kokend water, worden ze aangevallen door wilde beesten, worden
ze in een kuil met insecten, schorpioenen en slangen gegooid, door muizen
gebeten, lijden ze aan wonden vol van wormen en vele anderen dingen die
iemands voorstellingsvermogen te boven gaan, zijn er eveneens om de overtreder
gelijktijdig te doen teisteren.
Hitte, Duisternis, Rook en Nauwheid
Smalle, hete en vuile plaatsen zijn voor ieder individu in deze wereld
het meest moeilijkst om in te verkeren. De vochtigheid en hitte veroorzaken
een gevoel van verstikking; ademhaling, een essentiële functie van het
lichaam wordt bemoeilijkt door hoge niveau’s van vochtigheid. Niet in
staat zijn om te ademen veroorzaakt intense vermoeidheid; de borst voelt
beklemd. Zelfs de schaduw biedt geen verlichting in zeer heet weer en
vochtigheid. Een onzichtbare maar dikke allesomvattende laag van lucht
wordt verstikkend. Zelfs de temperatuur en vochtigheid in een sauna zijn
moeilijk te verdragen. Onbekwaam om intense stoom slechts tien minuten
te weerstaan, valt een persoon die in een sauna wordt gesloten in korte
tijd flauw. Een langer verblijf betekent de dood.
Deze verstikkende atmosfeer overheerst in de hel. De mens, die uitgebreide
voorzorgsmaatregelen treft tegen overhitting in deze wereld, voelt zich
wanhopig in de hel. De hel is heter dan iedere woestijn en viezer en meer
drukkend dan iedere voorstelbare plaats. De hitte penetreert in het menselijke
lichaam; het wordt tot diep in de cellen gevoeld. Voor de ongelovigen
is daar geen mogelijkheid voor verlichting of verkoeling. In de Qur’an
wordt de situatie van de mensen van de hel als volgt weergegegeven:
De mensen aan de linker kant - hoe (ongelukkig)
zijn degenen die aan de linker kant staan! Te midden van verschroeiende
winden en kokend water. En in de schaduw van zwarte rook, noch koel, noch
verfrissend. (Surah al-Waqi’ah: 41-44)
Wee op die Dag degenen die loochenen. Men zal zeggen:
"Gaat naar (de straf) welke gij loochendet. Begeeft u tot een schaduw
van drie takken, die geen koelte geeft, noch beschermt tegen de vlam."
(Surah al-Mursalat: 28-31)
In zo’n dichte atmosfeer, is het tot een smalle plaats beperkt worden,
een bewijs voor een andere vorm van bestraffing. Deze bestraffing wordt
als volgt beschreven:
En wanneer zij, aan elkander geketend, op een kleine
ruimte daarvan zullen worden geworpen, zullen zij daar om vernietiging
roepen. "Roept niet éénmaal om vernietiging doch roept er keer op keer
om." (Surah al-Furqan: 13-14)
Opgesloten zijn in een smalle plaats, zorgt voor een krankzinnigmakende
smart in deze wereld. Eenzame opsluiting is een van meest zwaarste straffen
voor gevangen. Urenlang in een auto na een ongeluk vastzitten of opgesloten
blijven in het puin van een door aardbeving-verwoeste stad, wordt als
een van de grootste rampen beschouwd. Zulke voorbeelden zijn echter onbelangrijk
in vergelijking met hun tegenhangers in de hel. Uiteindelijk zal iemand
die in het puin verstrikt zit zijn bewustzijn verliezen en sterven, of
wordt na een tijdje levend gered. In beide gevallen duurt de pijn voor
een bepaalde periode.
Dit geldt echter niet voor de hel. Er komt geen einde aan de pijn in
de hel en is er dus geen hoop. In een vieze, stoffige, sombere atmosfeer,
met rook gevulde lucht, wordt de ongelovige met zijn handen in zijn nek
vastgebonden, in een kleine kamer gegooid en wordt hij geteisterd met
pijn. Hij worstelt en streeft ernaar om gered te worden, maar dit zal
niet baten. Hij kan zelfs niet eens bewegen. Uiteindelijk smeekt hij om
te mogen verdwijnen, zoals aangegeven is in het vers, en wenst alleen
dat hij dood was. Dit verzoek wordt simpelweg afgewezen. In dit smalle
hol waar hij tot beperkt is, verblijft hij maanden, jaren en mogelijk
honderden jaren. Een groeiende zorg vult zijn hart, terwijl hij duizenden
keren smeekt om zijn eigen verdwijning. Eenmaal “gered”, zal hij geen
verlossing proeven, maar zal hij een ander gezicht van de hel ondervinden.
Voedsel, dranken en kledingstukken
De wereld heeft een overvloed aan ontelbare variëteiten van heerlijk
en voedzaam eten. Ieder is een zegening van God. Verschillende soorten
vlees, fruit en groenten met ontelbare kleuren, smaken en geuren, melkproducten,
honing en vele andere voedingsstoffen geproduceerd door dieren en specerijen,
waren speciaal door God geschapen en gul ten dienst van de mens gegeven,
toen deze wereld werd geschapen. Bovendien zijn de menselijke zintuigen
op zo’n manier geschapen om al deze heerlijke smaken waar te nemen. Door
de inspiratie van God heeft de mens een verlangen voor sierlijk voedsel,
terwijl hij walgt van rottend en vies voedsel, pus etc. Dit is een andere
inspiratie van God. Gunsten die veel groter zijn dan die in deze wereld,
worden voorbereid in het paradijs en de gelovigen zullen hiervan tot in
de eeuwigheid verkrijgen. Dit is de gift van God, Degene die zegeningen
en voorspoed geeft. De mensen van de hel, anderzijds, voor vergelding
van de goddeloze daden waarin ze in deze wereld betrokken waren, worden
op een afstand gehouden van de gunsten van God, ar-Razzaq, (Surah ash-Shura:
19) zodat alles wat ze ondervinden straf is:
De Dag, waarop de ongelovigen aan het Vuur zullen
worden blootgesteld, zal er tot hen worden gezegd: "Gij buittet uw goede
dingen in het leven der wereld uit en gij hebt het genoten. Deze Dag zult
gij met de straf der vernedering worden vergolden omdat gij ten onrechte
op aarde hoogmoedig en opstandig waart." (Surah al-Ahqaf: 20)
Er zullen geen verdere gunsten voor hen zijn. Zelfs het voldoen aan de
essentieelste behoeften blijkt een kwelling te zijn. Voedsel is door God
speciaal geschapen als een bron van lijden. De enige eetbare dingen zijn
de vruchten van de bittere doorn en de boom van zaqqoem, welke noch voedt,
noch verzadigd. Ze veroorzaken alleen pijn, die de mond, keel en maag
verscheurt en een walgelijke smaak en geur verspreidt. In de Qur’an vinden
we beschrijvingen van zowel de glorieuze schoonheden en het heerlijke
voedsel speciaal voor het paradijs, als het ondraaglijke voedsel van de
mensen van de hel:
Is dit een beter onthaal of de boom van Zaqqoem?
Voorzeker, wij hebben deze tot een beproeving voor de onrechtvaardigen
gemaakt. Het is een boom die uit de bodem der hel ontspringt. De trossen
er van zijn als de koppen van duivels. En zij zullen er zeker van eten
en er hun buik mee vullen. (Surah as-Saffaat: 62-66)
Zij zullen geen voedsel krijgen, behalve van doornen.
Dat noch voedzaam zal zijn noch tegen de honger zal baten. (Surah al-Ghashiyah:
6-7)
De mensen van de hel, die opstandig en ondankbaar tegenover God waren,
verdienen zo’n vergelding. Als een straf ondervinden ze gepaste “gastvrijheid”.
In Surah al-Waqi’ah is dit als volgt verhaalt:
Voordien waren zij inderdaad in weelde (op aarde),
En volhardden in grote zonde. En zij plachten te zeggen: "Als wij dood
zijn en stof en beenderen zijn geworden, zullen wij inderdaad herrijzen?
En ook onze voorvaderen?" Zeg: "Ja, de vroegeren en de lateren. Zullen
tezamen worden verzameld op de vastgestelde tijd van een bepaalde Dag."
Dan, o gij, die waart verdwaald en hebt verloochend. Gij zult zeker van
de boom van Zaqqoem eten, en zult er uw buik mee vullen en daama kokend
water drinken, (Drinkende,) zoals dorstige kamelen drinken. Dit zal hun
onthaal zijn op de Dag des Gerichts. (Surah al-Waqiah: 45-56)
In de wereld lijdt men zo nu en dan aan een ernstige zere keel of aan
een maagpijn. In de hel gaat er nauwelijks een minuut voorbij zonder het
lijden aan de zwaarste van al deze pijnen. Het voedsel waar de ongelovigen
recht op hebben, doet hen verstikken. Als het hen ooit lukt om het door
te slikken, zal het koken als gesmolten koper (Surah ad-Dukhan: 44). Het
verzadigt nooit. Daar dit het geval is, lijden de mensen van de hel aan
een eeuwigdurende, afschuwelijke honger.
Deze straf wordt beperkt tot een individueel geval;
het herhaalt zichzelf opnieuw en opnieuw voor alle eeuwigheid. De mensen
van de hel hebben zo intense honger, dat ondanks het ontelbare keren
proberen kunnen het niet helpen dan het het fruit van de bittere doornstruiken,
wat hen ineen doet krimpen van de pijn. Dan haasten zij zich naar het
kokende water. Maar toch kan dit water nooit worden verteerd. Zoals
vermeld in het bovenstaande vers, slurpen zij als dorst-gek gemaakte
kamelen. Om dit lijden nog te verzwaren worden de ongelovigen de hel
dorstig ingedreven. (Surah Marjam: 86)
Behalve kokend water, is pus een andere walgelijke drank voor de mensen
van de hel. Deze vloeistof, het product van ontsteking, een van de afscheidingen
in het menselijk lichaam met de meest walgelijkste geur, is de tweede
keus voor de ongelovigen. Pus wordt voor de ongelovigen opgediend samen
met bloed. In een ander vers is er sprake van pus dat opgediend wordt
met kokend water, om zo de ongelovige de walgelijke smaak van pus en de
bestraffing van kokend water met al zijn zintuigen te doen waarnemen.
Ondanks de walgelijkheid en onverdraaglijkheid, drinken de ongelovigen
er toch van om aan hun behoeften te voldoen, wat hun verlangen naar drinken
laat zien. Als ze deze bestraffing eenmaal proeven, lopen ze naar een
andere. Dit duurt ook tot in alle eeuwigheid. Door een nooit-eindigende
dorst verwringen ze zich in kwelling:
Zij zullen daar geen koelte hebben en geen drank
smaken, behalve kokend water en een stinkende vloeistof die verschrikkelijk
koud is. Een passende vergelding (voor hun daden). (Surah an-Naba’: 24-26)
Daarom heeft hij hier geen vriend; noch voedsel,
behalve spoelsel van wonden. Dat niemand dan de zondaren zal gebruiken.
(Surah al-Haqqah: 35-37)
De ongelovigen worstelen om dit mengsel door te slikken, maar dit zonder
baten. Bloede en pus doen hen verstikken, maar toch zijn ze nooit in staat
om te sterven:
Voor hem is de hel en hij zal worden gedwongen
kokend water te drinken. Hij zal het met kleine teugen drinken en zal
het ternauwernood kunnen slikken. En de dood zal van elke kant tot hem
komen en toch zal hij niet sterven. En daarnaast zal er een zware kastijding
zijn. (Surah Ibrahim: 16-17)
In deze wanhopige situatie zien de bewoners van de hel door middel van
een speciale dialoog de mensen van het paradijs. Ze nemen de prachtige
gunsten waarvan de mensen van het paradijs van genieten waar. Dit draagt
enorm bij aan hun bestraffing. Ondertussen smeken de mensen van de hel
om iets van hun voorzieningen. Maar dit is een nutteloze smeekbede.
En de bewoners van het Vuur zullen tot de bewoners
van het paradijs roepen: "Giet wat water over ons uit of iets, waarmnee
Allah u heeft voorzien." Zij zullen antwoorden: "Allah heeft voorzeker
dit voor de ongelovigen verboden." (Surah al-A’raaf: 50)
Afgezien van de voorzieningen, zijn de kledingstukken van de mensen van
de hel ook speciaal voor hen ontworpen. De menselijke huid is een gevoelig
weefsel; zelfs een seconde lange aanraking van een hete kachel of een
stuk ijzer geeft een onverdraaglijke pijn. In zo’n geval lijdt de getroffen
persoon er een aantal dagen onder, raakt zijn wond ontstoken en zwelt
op. De hel heeft een overvloed van kledingstukken die heter zijn dan gesmolten
ijzer, welke een vlam wordt die de huid als een deken bedekt en venijnig
brandt:
...voor de ongelovigen zullen gewaden van Vuur
worden gesneden en ... (Surah al-Hajj: 19)
Hun kleren zullen van pek zijn en het Vuur zal
hun gezicht omhullen. (Surah Ibrahim: 50)
Zij zullen de hel tot bed en bedekkingen hebben.
En zo vergelden Wij de onrechtvaardigen. (Surah al-A’raaf: 41)
De Engelen van Bestraffing
Ondanks al het lijden dat ze ondergaan, zal er geen enkele ziel zijn
om hulp aan de mensen van de hel te verstrekken. Geen ziel zal in staat
zijn om hen daarvan te redden. In de steek, geeft hen een bitter gevoel
van eenzaamheid. Over de overtreder zegt God in de Qur’an: “Daarom heeft
hij vandaag geen vriend” (Surah al-Haqqah: 35). Onder hen zullen er alleen
“engelen van bestraffing” zijn, die eeuwigdurende foltering en lijden
zullen toedienen. Dit zijn extreem strenge, genadeloze, angstaanjagende
bewakers, die uitsluitend de verantwoordelijkheid dragen voor het toedienen
van zware foltering op de mensen van de hel. Het enige doel van hun bestaan
is om wraak te nemen op degenen die in opstand tegen God kwamenen zij
vervullen hun verantwoordelijkheid met gepaste zorg en aandacht:
O gij die gelooft, redt u zelf en uw gezinnen van
het Vuur, welks brandstof mensen en stenen zijn, waarover engelen zijn,
hard en streng, die Allah niet ongehoorzaam zijn in hetgeen Hij hun beveelt,
en volvoeren wat hun wordt geboden. (Surah at-Tahriem: 6)
Neen, wanneer hij niet ophoudt, zullen Wij hem
zeker bij de haren van zijn voorhoofd grijpen. Van dat leugenachtige en
schuldige voorhoofd. Laat hij dan zijn raadgevers bij elkaar roepen. Wij
zullen ook Onze wachters bijeen brengen. (Surah al-‘Alaq: 15-18)
Deze engelen van de bestraffing doen de ongelovigen de toorn en woede
van God op hen voelen. Zij onderwerpen de mensen van de hel tot de strengste
en afschuwelijkste en vernederendste folteringen. Een punt verdient hier
speciale vermelding: de engelen van de bestraffing vermijden in feite
de lichtste onrechtvaardigheid of wreedheid. Ze dienen slechts de bestraffing
toe zoals de ongelovigen verdienen. Deze engelen, de voornaamste manifestatie
van God’s rechtvaardigheid, zijn de heilige wezens die deze taak met groot
plezier uitvoeren, zich aan God onderwerpend.
DE SPIRITUELE BESTRAFFING IN DE HEL
Tot dusverre hebben we gesproken over de fysieke bestraffing in de hel.
Er bestaat echter ook een spirituele bestraffing, die niet minder is dan
deze fysieke bestraffing. Spijt, hopeloosheid, vernedering, een gevoel
slecht behandeld te worden, schaamte en teleurstelling zijn de gevoelens
die door deze verschillende bestraffingen opgewekt worden.
“Het Vuur dat precies in het hart treft”
Op één of andere manier, komt iedereen in deze wereld in aanraking met
geestelijke kwelling. Bijvoorbeeld, het verliezen van iemands beste vriend,
echtgenoot of kinderen of door iemand bedrogen zijn in wie hij ontwijfelbaar
vertrouwen had gesteld, vult het hart met onverklaarbaar verdriet. Dit
verdriet is in feite een speciale vorm van bestraffing, welke God in een
persoon’s hart implanteert, als straf voor het verafgoden van iemands
verlies of iemand die hem bedrogen heeft. Het individu dient in essentie
zijn gevoelens van liefde, waardering, ontzag, toewijding, vertrouwen
en vriendschap aan God te tonen. Het falen hierin en het simpelweg aan
iemand anders verlenen van deze gevoelens, die ook door God geschapen
is en dus afhankelijk van Hem is, met andere woorden: het toekennen van
deelgenoten aan God, doet deze bestraffing veroorzaken. Afgodendienaren
proeven deze droefheid, zodat ze er wellicht lering uit trekken, om vergiffenis
vragen en zich tot God richten, voordat ze door de dood worden gegrepen.
Het wezen dat wel of niet wordt aanbeden, hoeft niet persé een mens te
zijn. Mensen hebben verschillende dingen die ze niet kunnen weerstaan.
Bezittingen, geld, fortuin, faam, in het kort: alles of ieder concept
wat buiten God wordt aanbeden is een afgod.
De pijn die in deze wereld het verlies van deze afgoden op iemands hart
toebrengt, is slechts een glimp van de grote bestraffing die men in de
hel zal ondergaan. Het is in feite een waarschuwing. In de hel wacht de
echte en niet-eindigende vorm van deze pijn op de afgodendienaar. Soms
wordt deze geestelijke bestraffing zo intens dat iemand de voorkeur geeft
aan fysieke foltering. Zelfs zelfmoord wordt als een redding beschouwd.
Het geestelijke aspect van de bestraffing in de hel wordt benadrukt in
de Qur’an en beschreven als een “vuur dat precies in het hart treft”:
Wee iedere leugenaar en lasteraar! Die rijkdommen
verzamelt en deze telt. Denkende dat zijn schatten hem voor eeuwig zullen
behouden. Neen, hij zal zeker in het Verterende Vuur worden geworpen.
En wat weet gij er van wat het verterende Vuur betekent? Het is het Vuur
dat Allah heeft aan gewakkerd. Dat boven de harten zal opstijgen. Voorwaar
het zal hen omsluiten. In uitgestrekte rijen van zuilen. (Surah al-Humazah:
1-9)
Zelfs de zwaarste pijn in deze wereld verdwijnt met de tijd. Zijn sporen
kunnen voor een tijdje zichtbaar blijven, maar de tijd wist uiteindelijk
zijn meest krenkende sporen uit. In de hel echter, penetreert een zelfs
nog bittere pijn als een woede in de harten van de ongelovigen, en blijft
daar tot in de eeuwigheid. Behalve dit geeft de geestelijke bestraffing
een gevoel van iets tussen hopeloosheid, vernedering, woede en haat. Niet
minder dan de fysieke pijn, worden de ongelovigen ook onderworpen aan
een onverdraaglijke geestelijke pijn.
Vernedering
Vele verzen over de hel informeren ons dat er daar een degraderende,
vernederende bestraffing op de ongelovigen wacht. Ze verdienen deze straf
vanwege hun arrogantie en trots. In deze wereld zijn een van de voornaamste
doelen van de ongelovigen dat anderen hen benijden en hun persoonlijkheid
en sociale status waarderen. Een onderscheidende carričre, kinderen, mooie
woningen, auto’s en andere gelijksoortige wereldse bezittingen, betekenen
niets meer voor het individu wanneer ze een nutteloze vertoning van hemzelf
wordt. Inderdaad, in de Qur’an wordt het pochen over zijn rijkdommen en
bezittingen genoemd onder de aanlokkelijkheden van deze wereld.
Deze passie, namelijk “pochen”, verandert in het hiernamaals in smart,
wat zowel vernedering als fysieke pijn met zich meebrengt. Dat is waarom
de ongelovige God vergat, “Wie Geprezen is”
(Surah al-Baqarah: 267) en “die zijn eigen begeerte
als zijn God aanneemt” (Surah al-Furqaan: 43). Daarom hield hij
zichzelf liever voornamelijk bezig met het verdienen van waardering voor
zichzelf dan het prijzen van God. Hij heeft zijn leven gevestigd op het
verdienen van het plezier van andere mensen, in plaats van het verdienen
van God’s goedkeuring. Daarom is hij het meest geruďneerd als hij ten
aanzien van andere mensen wordt vernederd.
De meest afschuwelijkste nachtmerrie van een ongelovige, is om ten schande
gemaakt te worden en te worden vernederd in het bijzijn van andere mensen.
Er zijn zelfs sommige mensen die het sterven meer waarderen dan te schande
worden gemaakt. De typische tegenspoeden van de hel hebben dit kenmerk
als hun basis. De sombere toestand van de bewoners van de hel komt hoofdzakelijk
door hun hoogmoedigheid. Nooit eerder waren ze zo volslagen vernederd.
Talrijke verzen vestigen de aandacht op dit feit:
De Dag, waarop de ongelovigen aan het Vuur zullen
worden blootgesteld, zal er tot hen worden gezegd: "Gij buittet uw goede
dingen in het leven der wereld uit en gij hebt het genoten. Deze Dag zult
gij met de straf der vernedering worden vergolden omdat gij ten onrechte
op aarde hoogmoedig en opstandig waart." (Surah al-Ahqaaf: 20)
En laat de ongelovigen niet denken dat het uitstel,
dat Wij hun geven, goed voor hen is; Wij geven hun slechts uitstel, zodat
zij in zonde toenemen; er zal voor hen een vernederende straf zijn. (Surah
Al ‘Imraan: 178)
De ongelovigen worden onderworpen aan duizenden soorten vernederende
behandelingen... zelfs lager dan wat dieren in deze wereld krijgen. IJzeren
zwepen, boeien en halsbanden zijn alleen beschikbaar om te vernederen.
De ongelovigen worden aan pilaren vastgebonden, voorzien van een halsband
en geboeid.
In werkelijkheid is vernedering de essentie van alle bestraffingen in
de hel. Bijvoorbeeld, terwijl ze in het vuur geworpen worden, worden ze
vernederd. Deze vreselijke bejegening begint vanaf het moment wanneer
de ongelovige tot leven wordt gebracht en er besloten is om hem naar de
hel te sturen. Bovendien vermindert deze straf nooit.
Op die Dag zullen mens noch djinn worden ondervraagd
over hun zonden. Welke van de gunsten van uw Heer wilt gij dan ontkennen?
De schuldigen zullen aan hun kenmerken worden herkend en zij zullen worden
gegrepen bij haren en voeten. (Surah ar-Rahman: 39-41)
In de hel moeten de ongelovigen leren leven met een soort behandeling
die zelfs slechter is dan wat dieren krijgen. Gegrepen bij zijn haar,
wordt hij over de grond gesleept en in de hel geworpen. Niet in staat
om weerstand te bieden, zal hij om hulp vragen, maar dit zal niet baten.
Een gevoel van wanhoop zal de bestraffing alleen maar doen toenemen:
Neen, wanneer hij niet ophoudt, zullen Wij hem
zeker bij de haren van zijn voorhoofd grijpen. Van dat leugenachtige en
schuldige voorhoofd. Laat hij dan zijn raadgevers bij elkaar roepen. Wij
zullen ook Onze wachters bijeen brengen. (Surah al-‘Alaq: 15-18)
Zij die vernederd naar de hel zullen worden gebracht,
verkeren in een slechte toestand, en zij zijn het meest van het rechte
pad afgedwaald. (Surah al-Furqaan: 34)
Eveneens,
Maar zij die een slechte daad begaan, zullen op
hun aangezicht in het Vuur worden nedergeworpen. "Gij wordt slechts beloond
voor hetgeen gij hebt gedaan." (Surah an-Naml: 90)
...De Dag, waarop zij met hun aangezicht in het
Vuur zullen worden gesleurd, zal er tot hen worden gezegd: "Voelt de aanraking
der hel." (Surah al-Qamar: 48)
De vernedering wordt eenmaal in de hel nog meer intenser. Afgezien van
de fysieke pijn, overstelpt een intens gevoel van vernedering de bewoners
van de hel:
"Grijpt hem en sleurt hem in het midden van het
laaiend Vuur; giet daarna als marteling kokend water op zijn hoofd." Proef
dit! Voorzeker gij waart eens de machtige, de eerwaardige. Dit is inderdaad
datgene waaraan gij twijfeldet. (Surah ad-Dukhan: 47-50)
Om de ongelovigen te vernederen worden speciaal ontworpen zwepen, halsbanden
en kettingen gebruikt:
Grijpt hem en boeit hem. Werpt hem dan in de hel.
Bindt hem vervolgens met een ketting vast waarvan de lengte zeventig armlengten
bedraagt; want hij geloofde niet in God, de Grote. Noch moedigde hij aan,
de armen te spijzigen. (Surah al-Haqqah: 30-34)
In deze wereld, met uitzondering van de wilden, zijn zelfs dieren niet
geboeid. Voor menselijke wezens geldt dat alleen onbehandelbare en gevaarlijke
mentaal zwakbegaafden worden geketend. Daar dit het geval is, zijn degenen
die naar de hel gestuurd zijn de inferieurste schepsels. Daarom worden
ze vastgebonden met “een ketting waarvan de lengte zeventig armlengten
bedraagt”, zoals in het bovenstaande vers vermeldt wordt. Andere verzen
geven ook details van deze degraderende bestraffing:
Wanneer zij met boeien en kettingen om hun hals
zullen worden gesleept. In kokend water; dan zullen zij in het vuur worden
geworpen. Dan zal er tot hen worden gezegd: "Waar zijn (de afgoden), die
gij met Allah hadt vereenzelvigd?" (Surah al-mu’min: 71-73)
En indien gij u verwondert, dan is hun zeggen verwonderlijker:
"Wanneer wij stof zijn geworden, zullen wij dan opnieuw worden geschapen?"
Deze zijn het, die hun Heer hebben verworpen, daarom zullen zij ketenen
om hun hals hebben en de bewoners van het Vuur zijn; daarin zullen zij
vertoeven. (Surah ar-Ra’d: 5)
En op die Dag zult gij de schuldigen in kettingen
geklonken zien. Hun kleren zullen van pek zijn en het Vuur zal hun gezicht
omhullen. Opdat Allah elke ziel moge vergelden voor hetgeen zij heeft
gedaan. Voorzeker, Allah is snel in het vergelden. (Surah Ibrahim: 49-51)
Hier zijn twee tegenstanders die redetwisten over
hun Heer. Voor de ongelovigen zullen gewaden van Vuur worden gesneden
en over hun hoofd zal kokend water worden uitgegoten. Waardoor hun ingewanden
alsmede hun huiden zullen worden verteerd. En hen zullen ijzeren roeden
wachten. (Surah al-Hajj: 19-21)
De sombere gemoedstoestand waar de vernedering aan bijdraagt, wordt duidelijk
zichtbaar op de gezichten van de mensen van de hel. Ook in deze wereld
kun je het ernstige probleem van mensen zien die ten schande zijn gezet,
onteert zijn en mishandelt zijn. De vernedering in de hel zal ook de verschijning
van de bewoners van de hel treffen, zoals dit in het volgende vers verklaard
wordt:
Op die Dag zullen sommige aangezichten terneergeslagen
zijn. (Surah al-Ghashiyah: 2)
Afgezien van alle methoden van vernedering die we tot dusverre hebben
genoemd, dienen we in gedachten te houden, dat verschillende andere vormen
hiervan in de hel zullen worden uitgevoerd. In de Qur’an wordt de term
“vernedering” gebruikt en een paar voorbeelden worden verstrekt om het
te illustreren. We moeten echter in onze gedachten houden, dat dit een
brede term is welke in geen geval beperkt kan worden tot een paar voorbeelden.
Alle gevoelens, behandelingen of gebeurtenissen die in deze wereld vernedering
aan een menselijke ziel geven, zijn in dit concept inbegrepen en ze zijn
allemaal beschikbaar in de hel.
Een onherstelbare spijt
Tegen de tijd dat hij tot leven wordt gebracht, beseft de ongelovige
bitter wat hij verkeerd heeft gedaan. De spijt, veroorzaakt door zijn
onherstelbare fout, schudt hem slechts wakker. Zijn wanhopige situatie
wordt verergerd door deze diepgaande spijt.
Wanneer de ongelovige geconfronteerd word met zijn daden die hij deze
wereld begin, begrijpt hij dat hij niet langer enige kans heeft om in
zijn leven enige eer te herstellen. Maar toch vraagt hij nog steeds om
een andere kans. In deze gemoedstoestand wilt hij naar zijn oude leven
terugkeren om zijn overtreding goed te maken. Ondertussen wilt hij zijn
vrienden en zijn geliefden nooit meer zien, met wie hij onachtzaam van
het leven genoot. Alle vriendschappen, alle banden worden verbroken. De
levensstijl en tradities die mensen in hun leven aanhingen, hun huizen,
auto’s, echtegenoten, kinderen, bedrijven, de ideologieën die ze bepleiten,
verliezen hun waarden en verdwijnen. Ze worden eenvoudigweg vervangen
door bestraffing. De gemoedstoestand die door de verschrikking van die
dag veroorzaakt wordt, wordt als volgt verhaalt:
En als gij het slechts zoudt kunnen zien, wanneer
zij voor het Vuur zullen worden gebracht! Zij zullen dan zeggen: "O, mochten
wij slechts worden teruggezonden, dan zouden wij de tekenen van onze Heer
niet meer verloochenen en wij zouden tot de gelovigen behoren." Neen,
hetgeen zij voorheen plachten te verbergen is hun duidelijk geworden.
En als zij zouden worden teruggezonden zoudden zij gewis tot hetgeen hen
was verboden terugkeren; Voorzeker zij zijn leugenaars. En zij zeggen:
"Er is niets dan ons leven van deze wereld en wij kunnen niet worden opgewekt."
En wanneer gij het slechts zoudt kunnen zien, wanneer zij voor hun Heer
zullen worden gebracht, zal Hij zeggen: "Is dit niet de waarheid?" Zij
zullen antwoorden: "Ja zeker, bij onze Heer." Hij zal zeggen: "Ondergaat
dan de straf, omdat gij placht te verwerpen." (Surah al-An’aam: 27-30)
De Twist Tussen de Mensen van Hel
De sociale status en hiërarchische betrekkingen, welke in deze wereld
als gewichtig worden verondersteld, verliezen in de hel hun betekenis.
De toestand waar zowel de mensen als hun leiders tot gereduceerd worden,
is een zodanige dat ze elkaar vervloeken:
Wanneer de leiders hun volgelingen zullen verzaken
en de straf zullen bemerken en al hun banden zullen worden verbroken,
zullen de volgelingen zeggen: "Indien wij slechts terug konden keren,
zouden wij hen verzaken, zoals zij ons hebben verzaakt". Zo zal Allah
aan hen hun werken tonen tot wroeging en zij zullen het Vuur niet kunnen
ontkomen. (Surah al-Baqarah: 166-167)
De Dag waarop hun gezicht zich in het Vuur zal
wentelen zullen zij zeggen: "O, hadden wij slechts Allah en Zijn boodschapper
gehoorzaamd!" En zij zullen zeggen: "Onze Heer, wij gehoorzaamden onze
leiders en onze grote mannen maar zij deden ons van de rechte weg afdwalen.
Onze Heer, geef hun een dubbele straf en vloek hen met een zware vloek."
(Surah al-Ahzaab: 66-68)
Terwijl zij daarin onder elkander twisten, zullen zij (tegen de afgoden)
zeggen: "Bij Allah, wij waren klaarblijkelijk in dwaling. Toen wij u gelijk
stelden aan de Heer der Werelden. En slechts de schuldigen deden ons dwalen.
En wij hebben nu geen bemiddelaar, noch een boezemvriend. Indien er voor
ons een terugkeer (naar de aarde) was, zouden wij tot de gelovigen behoren."
Hierin is waarlijk een teken, maar de meesten
onder hen willen het niet geloven. (Surah ash-Shu’ara: 96-103)
Onder de mensen van de hel die een eeuwige bestraffing ondervinden, ontstaat
twistziekheid. Iedereen beschuldigt elkaar. Boezemvrienden haten elkaar.
De belangrijkste bron van deze haat is de vriendschap die zij in de wereld
hebben gekoesterd. Ze verleidden elkaar tot het begaan van zondes en moedigden
elkaar aan in de ontkenning. Alle concepten betreffende vriendschap zijn
in het aanzicht van hellevuur verdwenen, en alle banden die in dit leven
versterkt waren worden verbroken. Te midden van al deze drukte, is iedereen
alleen bezig alle anderen te vervloeken:
Hij zal zeggen: "Gaat onder de volkeren van djinn
en mensen die v??r u heengingen, het Vuur binnen." Steeds wanneer een
volk er binnengaat zal het zijn zustervolk vervloeken, totdat, wanneer
zij er allen opeenvolgend in zijn aangekomen, de laatsten over de eersten
hunner zullen zeggen: "Onze Heer, dezen deden ons dwalen, geef hun daarom
een dubbele straf van het Vuur." Hij (Allah) zal zeggen: "Er is voor iedereen
het dubbele, maar gij weet het niet.'' (Surah al-A’raf: 38)
En de ongelovigen zullen zeggen: "Onze Heer, toon
ons degenen der djinn en der mensen die ons deden dwalen, opdat wij hen
onder onze voeten mogen plaatsen zodat zij tot de vernederden behoren."
(Surah Fussilat: 29)
En wanneer zij met elkander in het Vuur zullen
twisten, zullen de zwakken tot de trotsen zeggen: "Voorzeker, wij waren
uw volgelingen; wilt gij dan nu een gedeelte van het Vuur van ons wegnemen?"
Zij die trots waren zullen zeggen: "Wij zijn er allen in. Allah heeft
nu over Zijn dienaren recht gesproken." (Surah al-Mu’min: 47-48)
Hier is een groep van uw volgelingen die er samen
met u ingestort zal worden. (Zij zullen zeggen:) "Geen welkom voor hen,
zij moeten in het Vuur branden." Zij zullen antwoorden: "Wee, gij zijt
het, voor wie geen welkom is. Gij hebt dit voor ons bereid. En het is
een slechte plaats!" Zij zullen zeggen: "Onze Heer, wie dit voor ons bereid
heeft, voeg hem een dubbele straf in het Vuur toe." En zij zullen zeggen:
"Hoe komt het dat wij de mensen die wij onder de bozen rekenden, niet
meer zien?" "Hebben wij hen ten onrechte bespot of zien onze ogen hen
niet?" Voorzeker, het onderlinge redetwisten van de mensen in het Vuur
is de waarheid. (Surah Saad: 59-64)
Verontschuldigingen van wanhoop en hopeloosheid
De mensen van de hel verkeren in een hopeloze staat. De marteling die
ze ondergaan is uiterst wreed en houdt nooit op. Hun enige hoop is om
voor hun redding te huilen en te smeken. Ze zien de mensen van het paradijs
en smeken om water en voedsel. Ze proberen om berouw te tonen en vragen
om vergiffenis aan God. Maar toch zijn al deze stappen tevergeefs. Ze
smeken de bewakers van de hel. Ze willen zelfs als tussenpersonen fungeren
tussen hen en God, en om genade vragen. De pijn is zo ondragelijk dat
ze ervan gered willen worden, zelfs al is het maar voor een enkele dag:
En degenen die in het Vuur zijn zullen tot de bewaarders
der hel zeggen: "Bidt uw Heer, een dag van onze straf te verlichten."
Zij zullen antwoorden: "Kwamen uw boodschappers niet tot u met duidelijke
bewijzen?" Zij zullen zeggen: "Ja zeker." De bewaarders zullen antwoorden:
"Bidt dan." Maar het bidden der ongelovigen is nutteloos. (Surah al-Mu’min:
49-50)
De ongelovigen proberen verder om vergiffenis te vragen, maar zij worden
streng afgewezen:
Zij zullen antwoorden: "O, onze Heer onze tegenspoed
heeft ons overweldigd en wij waren een dwalend volk. Onze Heer, neem ons
daaruit; indien wij in het (kwade) terugvallen dan zijn wij stellig onrechtvaardig.
Hij zal zeggen: "Blijft daarin vernederd en spreekt niet tot Mij. Waarlijk,
er was een gedeelte van Mijn dienaren dat placht te zeggen: "O, onze Heer,
wij hebben geloofd, vergeef ons daarom en wees Barmhartig jegens ons.
En Gij zijt de Beste der barmhartigen." Maar gij maaktet hen ten spot
totdat dezen u Mijn gedachtenis deden vergeten omdat gij hen placht uit
te lachen. Inderdaad heb Ik hen heden beloond wegens hun geduld. Voorzeker,
zij zijn de overwinnaars." (Surah al-Mu’minun: 106-111)
Dit is eigenlijk de laatste toespraak van God tot de mensen van de hel.
Zijn woorden “Blijft daarin vernederd en spreekt niet tot Mij” zijn afdoende.
Vanaf dan houdt God nooit meer rekening met de mensen van de hel. Men
zou zelfs niet aan deze situatie willen denken. Terwijl de zondaars in
de hel branden, verblijven degenen die “geluk en zaligheid” verkrijgen
in het paradijs, genietend van eindeloze gunsten. Het lijden voor de mensen
van de hel wordt intenser wanneer zij het leven van de gelovigen in het
paradijs aanschouwen. Voorwaar, terwijl ze onderworpen zijn aan onverdraagbare
marteling, kunnen ze de prachtige zegeningen van het paradijs “zien”.
De gelovigen, die door de ongelovigen in deze wereld werden bespot, lijden
nu een volledig en gelukkig leven, levend in glorieuze locaties, prachtige
huizen met mooie vrouwen en genietend van heerlijk voedsel en drinken.
De aanblik van de gelovigen in een staat van vrede en overvloed, doet
de vernedering van het in de hel verkeren vergroten. Deze scčnes voegen
een grotere pijn en lijden aan hun verdriet toe. De spijt wordt groter
en groter. Het niet hebben opgevolgd van de bevelen van God doet hen een
diepgaande spijt voelen. Zij wenden zich tot de gelovigen in het paradijs
en proberen tot hen te spreken. Ze smeken om help en sympathie voor hen.
Maar toch zijn dit nutteloze pogingen. De mensen van het paradijs zullen
hen ook zien. De woordenwisseling tussen de mensen van de hel en het paradijs
is als volgt:
In tuinen (wonende) vragen zij aan de schuldigen:
"Wat heeft u in de hel gebracht?" Zij zullen antwoorden: "Wij behoorden
niet tot hen die plachten te bidden. Noch voedden wij de armen. En wij
plachten ijdele gesprekken te voeren met hen die ijdele gesprekken voerden.
En wij plachten de Dag des Oordeels te loochenen. Totdat de dood ons overviel."
De tussenkomst van bemiddelaars zal hen daarom niets baten. (Surah al-Muddaththir:
40-48)
Ondertussen zullen de gelovigen en de hypocrieten met elkaar discussiëren.
Hypocrieten zijn de mensen die voor een bepaalde tijd bij de gelovigen
verbleven. Zij hadden geen geloof in hun hart, en louter voor persoonlijk
belang, verrichtten zij hun religieuze taken alsof ze gelovigen waren.
Dus hebben zij de titel “hypocrieten” verdiend. In het hellevuur smeken
zij de gelovigen om hen te helpen. De dialoog tussen deze twee groepen
wordt in de Qur’an als volgt overgebracht:
Op de Dag, waarop huichelaars en huichelaarsters
tot de gelovigen zullen zeggen: "Laat ons iets van uw licht nemen," zal
er gezegd worden: "Gaat terug en zoekt licht." Dan zal er tussen hen een
muur worden opgericht met een poort er in. Aan de binnenkant zal barmhartigheid
zijn en aan de buitenkant zal straf zijn. (De huichelaars zullen tot de
gelovigen) roepen: "Waren wij niet met u?" Zij zullen antwoorden: "Ja,
maar gij hebt uzelf in verzoeking laten brengen en gewacht en getwijfeld
en uw begeerte bedroog u, totdat de verordening van Allah kwam. En de
bedrieger bedroog u ten opzichte van Allah. Derhalve zal op deze Dag geen
losgeld van u worden aangenomen, noch van degenen die ongelovig waren.
Uw tehuis zal het Vuur zijn; dat is uw vriend en het is een slechte bestemming!"
(Surah al-Hadid: 13-15)
Een Eeuwige Bestraffing zonder Verlossing
Los van alle kenmerken van de hel die we tot nu toe hebben genoemd, is
er nog een ander aspect, welke de intensiteit van de opgelegde bestraffing
vergroot; het is eeuwig. In deze wereld biedt het feit, dat zelfs de scherpste
pijn na verloop van tijd minder word, de mens troost. Het einde van iedere
pijn is zaligheid en zelfs het wachten op deze zaligheid biedt hoop. Er
is in de hel echter geen hoop hierop en dit is hetgeen wat de mensen van
de hel het meest doet overweldigen. Wanneer ze in het vuur worden geworpen,
geboeid, gebrand, geranseld en in smalle plaatsen worden neergezet, hun
handen in hun nekken vastgebonden, weten zij dat het tot in de eeuwigheid
zal duren. Hun ontsnappingspogingen kunnen nooit een succes worden. Dit
toont aan dat hun bestraffing voor altijd zal voortduren. De smart die
ze voelen wordt als volgt uitgelegd:
Telkens wanneer zij er uit (uit de hel) wensen
te gaan, zullen zij er in terug worden gedreven; men zal zeggen: "Proeft
gij de straf van het branden?" (Surah al-Hajj: 22)
De hel is een geheel geďsoleerde plaats. De ongelovigen treden het binnen
en verschijnen nooit opnieuw. Er is geen uitweg uit de hel. Het gevoel
van beperking verzwelgt de ongelovigen. Ze worden omsingeld met muren
en gesloten deuren. Dit bittere gevoel van beperking wordt in de Qur’an
alsvolgt beschreven:
Maar zij, die niet in Onze tekenen geloven zullen
aan de linker hand zijn. Een gesloten Vuur zal hen omringen. (Surah al-Balad:
19-20)
En Zeg: "De waarheid is van jullie Heer: dus wie
wil, laat hem geloven; en wie wil, laat hem ongelovig zijn." Voorwaar,
Wij hebben voor de onrechtplegers het Vuur voorbereid, waarvan de rook
hen als een tent omhult. En als zij hulp (tegen dorst) vragen worden zij
geholpen met water als gesmolten koper dat hun gezichten roostert. De
slechtste drank en de slechtste verblijfplaats! (Surah al-Kahf: 29)
Dezen zijn het, wier tehuis de hel is en zij zullen
voor het Vuur geen wijkplaats vinden. (Surah an-Nisa’: 121)
Tegen de tijd dat de ongelovigen het vuur zien, erkennen ze volledig
waar ze thuis horen. Ze begrijpen echt dat er geen andere kans of wat
dan ook is om van het vuur weg te komen. In dit stadium verliest het concept
tijd zijn betekenis en een eeuwige bestraffing begint. De voortdurende
aard van pijn is het ergste aspect. Zelfs als er honderd jaar, duizend
jaar of miljoenen jaren voorbij zijn gegaan, komt men nooit dichter bij
het einde. Miljoenen jaren is niks vergeleken met de eeuwigheid. De ongelovige
woont in de hel wacht op het einde, maar zonder resultaten. Daarom wordt
de eeuwige aard benadrukt:
Allah belooft de huichelaars, mannen en vrouwen
en de ongelovigen het Vuur der hel, waarin zij zullen vertoeven. Het zal
hun genoeg zijn. Allah heeft hen vervloekt, en zij zullen een blijvende
straf ontvangen. (Surah al-Taubah: 68)
Indien dezen werkelijk Goden waren geweest zouden
zij niet daarin zijn gegaan; nu zullen allen er in verblijven. (Surah
al-Anbiya’: 99)
Maar voor de ongelovigen is het Vuur der hel. Voor
hen zal de dood niet worden verordend opdat zij mochten sterven, noch
zal de straf er van voor hen worden verlicht. Zo straffen Wij iedere ondankbare.
(Surah Faatir: 36)
Aan alle pijn in deze wereld komt een einde. Er is altijd een redding.
Iemand die aan pijn lijdt sterft, of zijn pijn wordt verzacht . In de
hel is de pijn echter continu en onophoudelijk, er wordt zelfs geen moment
verlichting geboden.
Een belangrijke herinnering om bestraffing te voorkomen
Door het gehele boek heen is er benadrukt dat degenen die de bevelen
van God in deze wereld weigeren en het bestaan van hun Schepper ontkennen,
geen redding zullen hebben in het hiernamaals en dat ze een afschuwelijke
bestraffing in de hel zullen ondervinden. Daarom moet een ieder, zonder
maar enige tijd te verliezen, zijn situatie in de aanwezigheid van God
beseffen en zich aan Hem onderwerpen. Anders zal het hem spijten en een
vreselijk einde ondervinden:
De ongelovigen zullen dikwijls wensen, dat zij
Moslims waren. Laat hen eten en zich vermaken en laat hun ijdele hoop
hen achteloos maken; zij zullen het weldra te weten komen. (Surah al-Hidjr:
2-3)
De manier om eeuwige bestraffing te voorkomen, om eeuwige zaligheid te
winnen en de goedkeurig van God te verkrijgen is duidelijk:
Voordat het te laat is, heb een waar geloof in God. Breng je leven door
met het verrichten van goede daden om Zijn genoegen te verdienen... |